Luchtfoto kerk, ca. 1970

1747-1769 E.H. Humbertus de Munck

  Terug naar overzicht

Humbertus de Munck werd geboren op 27 april 1697 te Sint-Gillis-Waas als François de Munck. Hij was het vierde kind was Jean de Munck (1657-1715) en Anne d'Hooghe (1666-1746) in Sint-Gillis-Waas (1). Uit dit huwelijk waren er zes kinderen, namelijk:

  1. Marie-Catherine (°1691)
  2. Guillaume
  3. Jean-Pierre
  4. François (°1697)
  5. Gilles-Charles
  6. Augustin-Bernard (°1700), dominicaan

In 1718 trad hij in in de abdij van Sint-Bernards aan de Schelde, waar hij op 16 april 1719 geprofest werd en op 28 oktober 1724 de priesterwijding ontving en de kloosternaam Humbertus aannam.

Van 1721 tot 1747 was hij onderpastoor in Wouw en Kapellen en ook nog prior in de Abdij. Dan werd hij in mei 1747 aangesteld als pastoor van Loenhout.

In Loenhout kwam het meteen tot een ernstig conflict. De pastoor had namelijk beslist om de hoogmis op te dragen om 9u i.p.v. om 10u. De heer van Loenhout, schout, schepenen, gezworenen en gegoede burgers stelden voor de schepenbank diverse aktes op waarin geëist werd dat de hoogmis opnieuw om 10u zou plaatsvinden:

Schepenregister 217, Nr 18/2 25.5.1748
Cornelis Adriaen van Tychelt, 72 jaar verklaart dat de H. missen op zondag en heiligedagen altijd zijn geschied door de pastoors alhier 's winters de vroegmis om 7 uur en 's zomers om 6 uur en de hoogmis altijd om 10 uur hij had van zijn ouders horen zeggen dat het altijd zo geweest was.

Schepenregister 217, Nr 25 5.6.1748
Jonker Joannes Walckiers, heer van Loenhout, de schout, schepenen, gezworenen en 'de gegoeyden principael' verklaren dat zij aan de wereldlijke en geestelijke rechters zullen voorstellen dat de heer pastoor de hoogmis zal opdragen te 10 uur 'gelyck altyt van immomerabele tyden is gedaen geweest'. Daaronder volgen de handtekeningen. Adriaen Cornelis Vermeiren, Joris van Elsacker tekenden met een +, verder de handtekeningen van: J. Walckiers d'Oostwinckel, C. van Craesbeeck de Sittaert, Huybrecht Leenaerts, A. Vergauwen, Jan van den Mierop, Peeter Rombouts, Erasmus Kerstens, Laureijs Aernouts, Peeter Wouter Ooms, Jan Anthonissens, Jan Nys van Dijck, Cornelis Cornelis van Dyck, A.C. Marcelli, weduwe de Landeghem, Catharina de Bie, Elisabeth Marcelli, Magdalena Lappers, Jan van Dijck, Cornelis Hestermans, Maria Josina van Elsacker en Cornelis Cornelis Jorissen.

Schepenregister 217, Nr 27 5.7.1748
De schout en de schepenen verklaren dat de hoogmis steeds om 10 uur werd gelezen, de pastoor had besloten de hoogmis om 9 uur te lezen, daardoor ondervonden de parochianen dat zij te weinig tijd kregen om 'malckanderen te connen verwisselen sonder hun huijsen alleen te laeten mits de verre distantien dat de ingesetenen van de kercke woonden'. Gelasten de pastoor de hoogmis terug om 10 uur te lezen.

De problemen bleven voortduren en op 12 november 1753, zes jaar na zijn aanstelling, schreef de toenmalige schout, Ignatius Van Craesbeke, een verslag naar het bisdom, waarin 56 beschuldigingen geuit werden aan het adres van de pastoor. De zwaarste beschuldiging luidde:

"eenige tijd geleden jonkvrouw Maria Josina van Elsacker, geestelijke dochter, oudt omtrent seventigh jaeren en knielende in de hooge koore binnen de kercke van Loenhout, soodaenighlijck met sijne bonette in het aengesight heeft geslagen dat sij schier als doodt over alternatie was". (3)

 In een acte in het Loenhouts kerkarchief, gedateerd op dezelfde datum, vraagt de schout formeel aan E.H. de Munck om hem te erkennen als "eerste en opperproviseur van de kercke en de armen" van Loenhout. (2) Blijkbaar communiceerden ze enkel nog schriftelijk met elkaar.

Bij het bisdom stond de pastoor inderdaad gekend om zijn opvliegendheid en de schout om zijn overdrijvingen. Het conflict dooft uit en tegen 1762 schenen pastoor en schout opnieuw normaal met mekaar te kunnen omgaan.

E.H. De Munck begon op 10 mei 1765 met de bouw van een nieuwe pastorij. De oude pastorij was in 1629 aangekocht bij de aanstelling van E.H. Corneel Truyts en voldeed allicht niet meer aan de verwachtingen voor een pastoor van adellijke komaf. De werf stond onder leiding van E.H. Jacobus Van den Boom die toen econoom was de Refugie van Coolhem. De werkzaamheden duurden meerdere jaren en werden in meer detail omschreven in de notities van E.H. Guido Rosa:

In't jaer 1765 den 10 mey is men begonst te bouwen alhier de pastorije onder de directie van den eerw. heer Jacobus Van den Boom, provideur tot Coolhem, pastoor sijnde Hubertus De Munck religieuzen van d'abdije van S. Bernardus op de Schelde, ten tijden van den prelaat mijnheer Edmundus De Vijlder. In 't jaer 1766 heeft den bovenstaende pastor gebouwd een kamerken voor de meijt bij de kerken. Item 1766, 10 april heeft hij beginnen te bouwen een camer liggende naest de wijde in den oosten. Item 1767, 13 meert heeft hij beginnen te bouwen een eetplaets. Item dan gekogt drij spigels voor 100 guldens C.

Hij heeft echter niet lang kunnen genieten van zijn nieuwe woning, want in 1769 werd de pastoor ziek en bracht men hem naar het refugiehuis van de abdij in Antwerpen. Daar overleed hij op 5 november 1769, op 72-jarige leeftijd.


Voetnoten

(1) Bron: Nobiliaire des Pays-Bas et du comté de Bourgogne: Complément au nobiliaire des pays-bas et du Comté de Bourgogne (1862)

(2) Bron: Kerkarchief Loenhout, nr. 153

(3) Bron: Parochiale geschiedenis over de pastoors van Loenhout, A.M. Bogaerts o.p., tekstueel herwerkt door M. Van Aken