Luchtfoto kerk, ca. 1970

1560-1580 E.H. Jacobus Zeeuwen

  Terug naar overzicht

Zijn achternaam staat ook soms als "Zeehaven" vermeld. Hij werd in 1530 geboren te Oudenbosch en is geprofest als monnik van de Sint-Bernardsabdij in 1551. Hij was er beuterlings subprior en prior.

In 1560 werd hij als pastoor aangesteld in Loenhout.

Nota van Etienne Kerremans: dit lijkt in tegenspraak met Schepenregister 143, f° 82 v° 05.04.1561: "heer Willem van der Vloet, pastoor in Loenhout heeft tevens de kapelanij bediend (voordien +Lambrecht van den Bulck) gedurende 5 of meer jaren, met goede zorg, ook ten tijde van de kwade pest." Nader onderzoek zal duidelijkheid moeten brengen. Het is niet geheel duidelijk waarop E.P. Louis Bogaerts zich hier precies baseert.

In 1566 heerste er een grote commotie in de abdij. De abt, Thomas van Thielt, was afvallig geworden (cfr. infra). Hij werd daarom afgezet en er moest een nieuwe abt verkozen worden. Jacobus Van Zeeuwen was één van de kandidaten. Bij de stemming die plaatsvond op 5 september 1567 behaalde hij 35 stemmen: 26 eerste, 8 tweede en 1 derde stem.

Hij overleed in Loenhout op 28 juli 1580.


Wie was Thomas Van Thielt?

(Overgenomen van deze website)

Thomas van Thielt werd omstreeks 1534 te Mechelen geboren. Over het milieu waaruit hij stamde, is ons niets bekend. In zijn geboortestad studeerde hij aan het Standonckcollege en op 18 februari 1549 liet hij zich inschrijven aan de Leuvense universiteit. Thomas was toen 15 jaar, de normale leeftijd waarop men de artesstudies aanvatte. Bij zijn inschrijving werd vermeld porcenses divites. Hij behoorde dus tot de rijke studenten van de pedagogie Het Varken, wat er toch op wijst dat hij tot een bemiddelde familie behoorde.

Na zijn studies te Leuven trad Thomas van Thielt in in de cisterciënzer-abdij Sint-Bernards te Hemiksem, nabij Antwerpen. In 1554 legde hij er zijn geloften af en vijf jaar later, in 1559, werd hij priester gewijd. Van de abt kreeg hij een pastoraat toevertrouwd te Oudenbosch in de huidige Nederlandse provincie Noord-Brabant. Thomas van Thielt maakte een snelle carrière binnen zijn orde. Reeds op 30 juli 1564 werd hij door Filips II tot abt van Sint-Bernards benoemd, mede op aanbeveling van Willem van Oranje. In zijn hoedanigheid van abt kreeg Van Thielt toegang tot de Staten van Brabant. Op die manier kreeg hij ongetwijfeld te maken met de politieke vraagstukken van zijn tijd, zoals de pas doorgevoerde bisdommenregeling en het verzet tegen de toenemende centralisatiepolitiek en de geloofsvervolging.

Tijdens het Wonderjaar (1566-1567) kwam het echter tot een breuk met de katholieke kerk. Thomas van Thielt behoorde tot de ondertekenaars van het Eedverbond en had tevens contacten met de groten van het verzet tegen Filips politiek. Uit het proces van Egmont en Horn blijkt dat hij op 9 juni 1566 aan Oranje, de hertog van Aarschot en de graven van Egmont, Horn en Hoogstraten een banket had aangeboden, waarhij hij volgens de geruchten het bekende Vivent les Gueux! zou geroepen hebben. Begin juli 1567 zou hij zelfs lutherse (sic) predikaties in zijn abdij gehouden hebben. Rond die tijd had hij reeds contacten met Johanna van Wavere uit Lier, zijn toekomstige vrouw. Het hoeft geen betoog dat de landvoogdes, Margareta van Parma, en haar entourage dit alles met lede ogen aanzagen. In augustus 1567 vluchtte Thomas, die zich te zeer gecompromitteerd had, naar Duisburg, waar het huwelijk met Johanna voltrokken werd. In een Apologia en eenSeyndbrieff, in 1568 in druk uitgegeven, verdedigde hij zijn breuk met het pausdom.

Op 19 augustus 1567 liet Thomas van Thielt zich inschrijven aan de hogeschool te Heidelberg, maar reeds het volgend jaar verhuisde hij naar het calvinistische Genève. Door zijn contacten met Théodore de Bèze, de opvolger van Calvijn, wist hij zelfs enig aanzien te verwerven in Genève. In februari 1572 werd hij er aangewezen als predikant van de aldaar gevluchte Nederlandstaligen. Enkele maanden later vertrok hij echter uit Genève en op 13 juni 1572 liet hij zich opnieuw inschrijven te Heidelberg. Rond die tijd hield hij zich ook op te Frankenthal en in de herfst van 1574 fungeerde hij als predikant te Schriesheim in de Palts.

Toen in de opstandige gewesten Holland en Zeeland de predikantennood zich deed gevoelen, verliet hij Duitsland. Begin 1575 was hij predikant te Delft, waar hij het woord Gods verkondigde samen met zijn gewezen Frankenthalse collega Arent Corneliszn. De activiteiten van Tilius zo luidde de Latijnse vorm van zijn naam beperkten zich evenwel niet tot Delft. Hij trad eveneens op als prediker van Oranje en in het voorjaar van 1576 treffen we hem aan te Haarlem en na de Satisfactie van Amsterdam was hij ook in de Amstelstad even actief.

De groei die het calvinisme in Brabant en Vlaanderen vanaf 1578 te beurt viel, bracht Tilius echter terug naar zijn geboortestreek. Door de gemeente van Antwerpen beroepen, werd hij door de kerk van Delft tijdelijk uitgeleend. Zo kon Thomas van Thielt in september met zijn predikaties beginnen in de Scheldestad. Na heel wat aandringen en mede onder druk van Oranje, werd Tilius op 10 februari 1579 door de Delftse kerk definitief afgestaan aan Antwerpen. Tot de overgave van de stad in augustus 1585 zou hij er de spil blijven van de Nederlandstalige gemeente.

In 1578 en 1579 preekte Van Thielt ook voor korte tijd te Brussel en te Gent. Nadat Mechelen op 9 april 1580 voor het Staatse kamp heroverd was, had hij zich, net als zijn collega Heidanus, naar zijn geboortestad begeven, om er de uitbouw van het calvinisme te ondersteunen. Toen ook de lutheranen hun activiteiten te Mechelen en te Lier wilden ontplooien, werd dat mede door tussenkomsten van Tilius verhinderd. Begin 1581 was Thomas van Thielt weer te Mechelen: tijdelijk uitgeleend door Antwerpen preekte hij er van 19 januari tot 17 februari. De Mechelse kerkeraad besloot een definitief beroep op hem uit te brengen, maar ondanks tussenkomsten van Willem van Oranje en de vordering van de zaak op de nationale synode van Middelburg (juni 1581), bleef Van Thielt te Antwerpen. Blijkbaar was dat ook tegen de zin van Tilius zelf, want hij schreef dat sijnen sinne om veel redenene bij dijen van Mechelen was. In 1583 verscheen hij nog eens in zijn geboortestad om er zijn ouders te bezoeken. Tilius bleef te Antwerpen actief tot de capitulatie van de stad in augustus 1585. Een nieuw werkterrein vond hij te Delft, waar hij op 13 januari 1590 overleed.

Met Willem van Oranje onderhield Tilius goede relaties, die reeds dateerden uit zijn tijd als abt van Sint-Bernards. Van die relaties heeft hij in zijn Antwerpse periode meer dan eens gebruik gemaakt, om de belangen van de calvinisten in Brabant te verdedigen. Tegenover lutheranen en wederdopers stelde hij zich scherp op. Toch was hij binnen de gereformeerde richting een gematigd calvinist: zowel van een Datheen als van een Coolhaes had hij een afkeer. Thomas van Thielt liet een vrij uitgebreide correspondentie na. Hieruit blijkt dat hij met tal van belangrijke predikanten in contact stond, ondermeer met de Geneefse Théodore de Bèze.

Guido Marnef

Dit is een enigszins aangepaste versie van: G. Marnef, Thomas van Thielt ca. 1534-1590, in: Luister en rampspoed van Mechelen ten tijde van Rembert Dodoens 1585-1985, Mechelen 1985, pp. 108-110.