E.H. Fons Van Dijck

Terug naar overzicht

Geboren te Loenhout op 21 januari 1934

Loopbaan

  • 31 aug. 1958 priesterwijding. (Er waren toen 77 nieuwgewijde priesters. 20 van hen zijn uitgetreden; 20 zijn overleden)
  • 1958 leraar op het Kl. Seminarie in Hoogstraten
  • 1963-1978 onderpastoor in Mol
  • 1978-1985 pastoor in Mol
  • 1985-1999 pastoor-deken in Hoogstraten
  • 1996 pastoor in Wortel

Dit is zijn stamboom.

E.H. Fons Van Dijck 50 jaar priester: degene die ze konden missen...

Uit: De Hoogstraatse Maand (jg. 24, nr. 280, augustus 2008)

Op 31 augustus 2008 heeft pastoor Fons Van Dijck zijn gouden priesterjubileum gevierd. Dat was voor ons de gelegenheid om met hem te gaan praten over het vroeger en nu in zijn leven. Bij ons bezoek bleek dat hij nog pas geleden al twee keer was geïnterviewd, een keer door het blad Daco (Diocesaan Antwerps contactblad) en door de schrijver Julien Van Remoortere die een boek voorbereidt over oudere priesters. Welwillend als altijd wilde Fons toch ook met ons nog een keer een lange babbel doen en zo gebeurde. En zo werd onderstaand artikel tenslotte de weergave van drie interviews.

Loenhout en omgeving, dat was de wereld waarin Fons Van Dijck opgroeide. Thuis, op de boerderij, waren ze met zeven kinderen. Fons in de middenmoot. "Degene die ze konden missen", lacht hij. Want de pastoor was vroeger al eens komen vragen of de oudste zoon op school mocht op het Seminarie. Zijn vader zei "Ik heb hem nodig op de boerderij. Maar er komt er misschien nog wel één die goed leert". Dat bleek Fons te zijn. En Fons deed ook niet liever: "Het was echt mijn droom om op school te gaan. Op de boerderij werken, ik deed dat niet graag. Andere jongens wachtten gewoonlijk tot na hun plechtige communie maar ik zaagde zo lang bij ons moe tot ze me al op mijn elfde lieten gaan."

"In mijn jeugd was Loenhout een bloeiende parochie van ongeveer 3000 inwoners. Er waren toen zo'n dertig priesters en missionarissen en nog veel meer zusters en missiezusters. Twee missiebisschoppen waren de parels aan Loenhouts kroon. Ook de Mariaverering was er bloeiend: van het bidden aan de kapelletjes  in de meimaand tot het bidden van het rozenhoedje thuis in de wintermaanden; en van tijd tot tijd ook nog een Maria-missie in de kerk. Deze vroomheid heeft nog diepe wortels bij de mensen. Ook al zijn velen de weg naar de kerk verloren, toch kennen ze nog de weg naar Onze Lieve Vrouw of naar Sint Antonius. Niet treuren, denk ik dan, ze komen wel terecht."

E.H. Fons Van Dijck

Leiders van morgen

Fons zat nog op de lagere school toen hij de oorlog meemaakte: "Soldaatje spelen was wel plezant maar we voelden toch ook de angst voor de beschietingen, voor de bommen en ook voor dieven die 's nachts boerderijen aanvielen. Daar hebben we allemaal ons part van gehad". Een keer moest hij samen met zijn moeder van de kerk naar huis vluchten, onderweg voortdurend schuilend omwille van de beschietingen die dichterbij kwamen. "Die vlucht, biddend over de akkers, zal ik nooit vergeten. De generaties die de oorlog meemaakten werden geconfronteerd met angst, gevaar en onzekerheid. Misschien zette ons dat aan om meer te vertrouwen op God."

Net na de oorlog ging Fons dan naar het Seminarie. "Ik zie me nog gaan met mijn kabaske vol appels. De anderen bij ons thuis waren naar een bruiloft maar ik ging liever naar het seminarie met de kamion waar ook de andere studenten op zaten. Mijn bagage was al naar Hoogstraten gebracht, samen met de 100 of zoveel kilo aardappelen die ze van ons thuis hadden meegegeven. In die naoorlogse tijd was er nog veel schaarste."

"Tijdens de vakanties, in Loenhout, vormden de studenten van het dorp een eigen groep, afgescheiden van de rest van de jeugd. 's Voormiddags moest ik op de boerderij een handje toesteken, 's namiddags kon ik dan naar de KSA om te repeteren voor het toneel of een andere bezigheid. Wij werden gevormd om de "leiders van morgen" te worden, dat zei men ons ook. Een keuze voor een sociaal of geestelijk beroep - na de humaniora - lag dan ook voor de hand. En zo trok ik samen met 14 anderen van mijn klas naar het groot seminarie van Mechelen; 6 andere jongens kozen een andere opleiding om priester of missionaris te worden."

Tweetalige opleiding

"In het Groot Seminarie waren zowel Vlaamse als Waalse studenten en de opleiding was dus tweetalig. Dat betekende ook dat wij verplicht werden om per week 3 dagen Nederlands te spreken en 3 dagen Frans, 's zondags waren we vrij. Ook de lessen waren afwisselend in de 2 talen met een samenvatting in het Latijn"

Anderzijds betekende het Groot Seminarie toch ook een grotere vrijheid. In Hoogstraten werd je streng in het oog gehouden in al je doen en laten, hier moest je leren jezelf in 't oog te houden; "je eigen stuurman zijn" werd dat genoemd. Wel was er een dagelijks gewetensonderzoek in de kapel en ook werd er verwacht dat je regelmatig met de tuchtdirecteur ging praten over je gedrag. De opleiding werd onderbroken door 18 maanden legerdienst. Dat was eigenlijk een verpozing die ons opnieuw dichter bij het burgerleven bracht. Voor een aantal seminaristen werd dat ook een definitieve terugkeer naar dat burgerleven. Tijdens de vakanties werden wij ingeschakeld in de parochiewerking van ons dorp. Voor ons, toekomstige priesters, was dat meewerken aan de Eucharistische Kruistocht, een beweging voor kinderen om hen meer kerkverbonden op te voeden. Wij gingen met hen op kamp, speelden toneel of organiseerden een bonte avond voor hen.

1958: een goed jaar

Het jaar van mijn priesterwijding is inderdaad een bijzonder jaar geweest. Dicht bij huis was er de Katharinakerk in Hoogstraten die wederopgebouwd was en verder was er de Expo. Een tentoonstelling die de hele wereld zou ontsluiten en hem herleiden tot een dorp, open voor iedereen. Met zo'n vooruitzicht aan pastoraal gaan doen, dat kon niet beter. Als voorsmaakje mocht het koor van ons Seminarie een mis op de Expo opluisteren en ik mocht daar het epistel lezen. Op de Expo keken wij vooral uit naar het paviljoen Civitas Dei (Kerk Gods), symbool van de plaats van de kerk in de nieuwe wereld. Na '58 is het paviljoen verdwenen en dat vind ik toch wel tekenend voor de tijd die ging komen en die wij toen nog niet kenden.

Mijn priesterwijding beleefde ik als een tegelijk benauwend en fascinerend moment. Ik vroeg me vooral af of ik het wel zou kunnen, of ik het zou volhouden. Maar ik voelde ook de steun van de 77 jaargenoten die ook gewijd werden, van mijn familie en mijn parochie thuis. Zeker bij de eremis in het dorp heb ik dat sterk gevoeld.

Enkele dagen na mijn wijding stond ik al voor de klas op het seminarie in Hoogstraten. Men had mij aangeraden om eerst enkele jaren les te geven vooraleer parochiepriester te worden, kwestie van te Ieren zelfstandig te zijn. Het was toen ook een boeiende tijd op het seminarie, men was bezig het internaat om te vormen en met een externaat te beginnen.

Ook in de kerk veranderde in die tijd veel. Er kwam een nieuwe paus, Johannes XXIII, die een nieuwe wind doorheen de kerk deed waaien; heel veel werd kritisch bevraagd. Wat onderhuids leefde, kon nu openlijk worden gezegd. "De kerk bij de tijd brengen": dat was de leuze en daar stonden wij, jonge priesters, helemaal achter. Zonder het te beseffen namen we toen afscheid van het "Rijke Roomse leven" en de triomfalistische kerk waar we in opgegroeid waren. Alles moest anders, dan was het pas goed." Misschien hebben we dan toch wat teveel poten onder de (heilige) stoel onderuit gezaagd" mijmert Fons.

Jong paard op de parochie

In 1963 was het uit met mijn schoolse leven; ik werd benoemd als onderpastoor in Mol. Volgens bisschop Daem kon zo'n grote parochie "een jong paard" gebruiken. Zelf had ik gehoopt op een kleine parochie, zoiets als Loenhout, dat zou ik wel aankunnen, dacht ik. Maar in Mol ben ik goed terechtgekomen. Ik heb daar heel veel geleerd.

Op mijn nieuwe parochie voerden we de beslissingen van het Tweede Vaticaans Concilie uit: het altaar werd omgedraaid, de nieuwe liturgie ingevoerd, het Latijn afgeschaft. De mensen werden mondiger, elkeen mocht zijn zeg doen en een afwijkende mening hebben, kortom, het individu werd belangrijker en daarmee ook het persoonlijk geweten. Heel veel werd in vraag gesteld, zo ook het celibaat. Sommigen dachten dat het met het afschaffen van het celibaat even vlot zou gaan als met het omdraaien van het altaar in de kerk. Intussen zijn er al zoveel jaren overheen gegaan maar we zitten nog altijd met dezelfde problematiek.

1965: KLJ-proost

Met de volgende paus, Paulus VI, hadden we het moeilijker. Toen hij met de encycliek Humanae Vitae een halt wilde toeroepen aan de contraceptie, zeg maar de pil, konden wij daar niet mee akkoord gaan. In Mol was ik daar zelf dicht bij betrokken omdat ik, samen met een jonge gynaecoloog en enkele anderen, de verloofdenwerking leidde. Op drie zondagen achtereen heb ik, en enkele leken, gepreekt over die kwestie en ons standpunt toegelicht. Dat was nodig omdat de mensen echt niet meer wisten wat mocht en niet mocht, katholiek zijnde. Wij wisten ons wel gedekt door het standpunt van de Belgische bisschoppen en andere gezaghebbende mensen maar het was wel de eerste crisis in mijn kerkervaring.

Het was ook in die tijd dat er veel priesters zijn uitgetreden, een 20-tal uit mijn jaar. Maar we hebben elkaar nooit losgelaten. Integendeel: ze zijn mijn beste vrienden geworden en we komen nog dikwijls bij elkaar. Zij met hun vrouw en ik alleen, maar dat doet niets af aan de vriendschap. Het zijn zij en nog anderen die mij door die woelige tijd hebben heen geholpen, soms ook door mij ongelijk te geven op bepaalde punten. Je beste vrienden zijn niet diegenen die je altijd gelijk geven. Van het concilie en de hele nawerking dragen wij allemaal de sporen en sommigen van ons maakten een andere levenskeuze. Een kerkleraar zei ooit: "Er zijn christenen buiten de kerk die meer in de kerk staan en er zijn christenen in de kerk die meer buiten de kerk staan." Dat hou ik me altijd voor ogen. En dat geldt ook voor de priesters: ook daar zijn er die buiten de kerk meer christen zijn dan sommigen die in de kerk staan.

Dat besef maakt mij schroomvol. Ik ben nu wel 50 jaar priester en ik doe het nog altijd graag maar het is zeker geen triomf.

Je eerste parochie is ook je eerste liefde

Ik bleef 22 jaar in Mol, waarvan 7 jaar als pastoor. Die parochie werd mijn echte thuis zoals geen enkele nadien, en dat is zo gebleven. Je gaat er naartoe met zoveel verwachtingen, je staat zo open voor de mensen. Al die inzet kan wellicht enkel als je jong bent.

1979: Jefke wordt 100 jaar, Mol

De eerste jaren in Mol waren wij, pastoors, vooral sociale werken, vrijgesteld om bezig te zijn met de jeugd, om de kas bij te houden, de administratie te doen. Er kwam een nieuwe vorm van catechese, er kwamen jeugdmissen waar de jongeren hun eigen muziek ten gehore brachten. Acties als 11-11-11 en Vredeseilanden wekten enthousiasme bij de jeugd.

Wij hebben het allemaal meegemaakt en meegedaan maar er blijft vandaag nog weinig van over, binnen de kerk althans. Ook op sociaal vlak kwam er meer openheid. Ik was verantwoordelijke voor de arbeidersorganisaties en de progressieve frontvorming van katholieken en socialisten samen was voor ons een serieuze zaak... We hebben daar toen verregaande gesprekken over gevoerd maar politiek draaide het anders uit: bij de eerstvolgende verkiezingen ging ieder terug naar zijn eigen partij.

Die hele periode van verandering nam niet weg dat er geleidelijk aan ook een pijn ontstond. De kerk, vooral op zondag, en ondanks onze "aanpassing aan de tijd", liep stilaan leeg... In Mol zakte het aantal kerkgangers van 3500 in 1963 naar 1000 in 1985. "Slecht geboerd", plaagden mijn broers. Zij waren wel vooruit geboerd.

1985: Afscheid van Mol

Er wordt weleens de schuld gegeven aan de modernisering waar wij zo enthousiast aan meededen en er zijn toen zeker zaken weggegooid die wel waardevol waren. Maar in die oude tijd zijn er ook stukken gemaakt. Ik heb mensen gekend die zegden: "De kerk heeft ons zodanig op de nek gezeten, dat we ze nu voorgoed hebben verlaten. We zijn er vanaf en we kruipen nooit meer onder de vleugels van de pastoor want we hebben er teveel onder geleden." Dat is, denk ik, inderdaad zo.

Van Civitas Dei, het paviljoen op de Expo, blijft nu geen kruimel over. In datzelfde spoor is de laatste tijd enorm veel verdwenen. Kerken gesloten, kloosters verkocht of omgevormd tot hotel of sociaal opvangcentrum. Bij de opening van het Groot Seminarie in 1934 riep kardinaal Van Roey uit: "Nu is de toekomst van de kerk verzekerd!". Niets bleek minder waar.

Naar Hoogstraten.

In 1985 werd ik deken van Hoogstraten benoemd. Ook al is je tweede parochie niet meer dezelfde grote liefde als de eerste, toch was dit weer een uitdaging. Ik kon andere accenten leggen, opnieuw naar mensen kijken zonder vooroordelen, nieuwe medewerkers leren kennen. Hoogstraten is trouwens een boeiende parochie met een prachtige kerk en talrijke medewerkers. De bisschop is eens een dag op bezoek geweest en hij stond verwonderd over de sterke structuur van de parochie met de vele raden, werkgroepen en organisaties in het decanaal. Maar de mensen die al die organisaties bevolkten werden ouder, de werkkrachten verminderden en zo werd het een overlevingspastoraal. Misschien hadden we wel teveel dingen uitgebouwd en ik vroeg me af of zo'n overgestructureerde pastoraal wel zinvol was en of de vragen van de kerk wel de vragen van de mensen waren.

Naar Wortel

Ondertussen werd ik 65 en moest ik ook eens gaan luisteren naar mijn lichaam, naar "broeder ezel" zoals Sint-Franciscus dat noemde. Daarom wilde ik mijn taak wat afbouwen en ik besloot wat kleiner te gaan "boeren" en pastoor in Wortel te worden, in een kleine gemeenschap en een rustige omgeving. Zo lang de parochie van Hoogstraten geen eigen priester heeft, blijf ik daar wel de kerkelijke diensten waarnemen. Ook in Wortel is het kerkelijk leven wat verkommerd; de kerk is niet langer meer het huis van vertrouwen. Voor veel mensen is ze als het ziekenhuis. Ze moet er zijn maar je blijft er liefst zo lang mogelijk buiten. Dat klinkt misschien bitter maar het is wel zo. Ik denk dan wel eens: "Verdienen onze kinderen en onze jeugd niet méér dan het "geloof aIs burgerlijk fatsoen" dat hen zo vaak wordt voorgehouden. Ik denk niet dat de kerk zich verder moet aanpassen aan de tijd. Misschien moet het evangelie - en de kerk - juist tegendraads zijn. Ze moet een kritische stem laten horen bij wat er in de samenleving van nu gebeurt. De kerk moet eigenlijk "van alle tijden" zijn.

Nu ja, in Wortel vond ik een mooie rijkbeboste natuur waarin ik elke morgen, van half acht tot half negen, mediterend ga wandelen. Daarna ontbijten en aldus gesterkt de dag in.

Dat wandelen heeft van mij een beetje een pelgrim gemaakt. Acht jaar na elkaar wandel ik, met rugzak, 200 km op een of andere pelgrimsweg. Tweemaal naar Assist, tweemaal naar Taizé. Eénmaal naar Siena en de laatste 3 jaar, in 3 etappes naar Santiago de Compostela. Elke dinsdag is het wandeldag met enkele vrienden en met de mensen van Wortel houden we elk jaar een Pinkstertocht naar één of andere abdij in de omgeving. Zo hoop ik onderweg te blijven met de bede van Neuman: "Heer, geef mij voldoende licht om de volgende stap te zetten zonder heel de weg uitgetekend te zien."

1995: Op weg naar Assisi

De toekomst?

Ik denk dat de kerk nu en in de toekomst meer de nadruk moet leggen op de binnenkant, op het mysterie van het bestaan, misschien ook op het mystieke van het geloof. Ik meen ook dat de kerk in het verleden, en nu ook nog wel, te veel bezig was en is met de moraal. Altijd dat opgeheven vingertje van wat mag en vooral wat niet mag. En vooral ook die uitsluiting van mensen die door omstandigheden niet aan het kerkelijk ideaal kunnen beantwoorden. Ik denk dan aan mensen die gescheiden zijn, homo's... Die liet de kerk gewoon vallen en daar heb ik het moeilijk mee. Geloof en godsdienst is in mijn ogen niet in de eerste plaats een moraal maar een levenswijze en een zingeving. Ook in onze maatschappij zijn veel mensen op zoek naar de zin van wat we hier doen op aarde, naar wat "het hogere" wordt genoemd. Christen zijn kan daar een antwoord op zijn en christenen kunnen dat tonen. Dat zal ons niet van de mensen vervreemden, wel integendeel.

Soms vragen jongeren of ik vandaag nog voor het priesterschap zou kiezen. Daar kan ik niet op antwoorden maar ik vind wat ik doe nog altijd zinvol en ik doe het graag. Het werk, het bezig zijn met mensen, het feit dat ze je in vertrouwen nemen en dat je hen zo kan helpen, dat vind ik heel belangrijk. En dat je met hen mag zoeken naar de zin van wat er gebeurt, zonder zelf over alle antwoorden te beschikken natuurlijk. Ook bidden, bewust leven, meer met de kern bezig zijn, zelf enthousiast proberen te blijven en dat tonen aan mensen: dat alles is voor mij veel beIangrijker geworden.

Of ik het priester-zijn aan jonge mensen zou aanbevelen? Ik zou het wel graag zien dat zij die keuze maken maar ik zou het hen met schroom - geboeid en benauwd zoals bij mijn eigen wijding - aanbevelen want het is zeker niet gemakkelijk. Toch geloof ik dat er straks nog priesters zullen zijn.

E.H. Fons Van Dijck, 2008

Ikzelf word volgend jaar 75 en dan is het de regel dat ik een brief naar de bisschop schrijf waarin ik me ter beschikking stel. Zijn antwoord daarop ken ik natuurlijk niet. Het kan zijn dat hij me vraagt om voorlopig nog verder te doen, telkens voor één jaar, dat kan. Ikzelf zou zeker niet onmiddellijk willen stoppen, wel om de diensten in Hoogstraten te beperken. Plannen op langere termijn, daar heb ik niet meer de leeftijd voor.

Op 31 augustus 2008 vierde Fons Van Dijck zijn 50-jarig priesterjubileum. Om 14 uur was er een plechtige eucharistieviering in de kerk van Wortel en nadien een vat-receptie in de parochiezaal tot 18 uur (Zo noemde Fons dit want hij wilde liever een gezellig samenzijn tussen pot en pint dan een stijve receptie). Mensen die hem graag iets wilden geven, konden dit doen door een storting. Dit geld werd besteed aan 2 projecten: het herstel van de parochiezaal in Wortel en de restauratie van de mantel van O.L.Vrouw die in de H. Bloedprocessie wordt meegedragen.