E.P. Jozef Vissers vertrekt naar Kongo op 15 september 1925

Mgr. Louis Van Dyck 1862-1937

Terug naar overzicht

Titelvoerend bisschop van Abbir
Apostolisch vicaris van Sui-Yuan, China
Missionaris van Scheut

  • Geboren te Loenhout op 21 januari 1862
  • Geprofest in 1882
  • Priester gewijd op 30 mei 1885
  • Eerste afreis naar China op 6 februari 1887
  • Missionaris en bisschop in China (1887-1937)
  • Aangesteld tot apostolisch vicaris van Zuid-West-Mongolië op 10 augustus 1915
  • Tot titulair bisschop van Abbir Maius gewijd op 23 januari 1916
  • Overleden in 桂花镇 (Gui Hua Zhen, nu Hohhot) op 4 december 1937.

Zoon van Adrianus Van Dyck, landbouwer en Maria Theresia Van Den Heuvel en dus broer van E.Z. Theresia Van Dyck. Dit is zijn stamboom.

"Ik begrijp er niets van!" zei moederke Van Dyck zuchtend tot meneer pastoor: "Nu heeft onze Louis het in zijn hoofd gestoken naar China te gaan!" - "Och, Trees, daar komt toch niets van!" antwoordde de pastoor: "Louis heeft geen gezondheid voor dat zware werk: de oversten zullen hem wel niet aanvaarden."

Dat was de goeie oude tijd, toen onze brave boerenmensen nog niet verder keken dan hun huishouden en hun akkers. Maar Louis wilde verder.

In het jaar dat hij geboren werd hadden enkele priesters uit het Brusselse de Congregatie van het Onbevlekt Hart van Maria (afkorting: CICM) gesticht, beter gekend onder de naam van Scheut: Vlaanderen sloot zich aan bij de missiebeweging die heel West-Europa meetrok ter verovering.

In de lente van 1887 zien we de inmiddels tot priester gewijde pater Van Dyck in Oost-Mongolië (het huidige bisdom Jehol) ten noorden van Peking en de grote Chinese Muur. Toen hij er aankwam waren er een twaalftal missionarissen met amper 3000 christenen, verspreid over een gebied dat driemaal zo groot is als België: denk aan de twaalf apostelen na de Hemelvaart van Christus.

Pater Van Dyck pakte het stevig aan: "Wie niet zijn 50km te paard kan doen op een dag, moet hier niet afkomen" schreef hij in zijn jeugdige overmoed. Zulke ritjes waren geen uitzondering, en dat langs ongebaande wegen in een woeste bergstreek. Pas ingeburgerd benoemde zijn bisschop hem tot pastoor van Pa-kow, een belangrijk handelscentrum met wel 15.000 inwoners. Daar werd hij meegesleurd in een gevaarlijk avontuur: de opstand van de Tsai-li-ti, een geheime sekte die de heidense bevolking in het harnas joeg tegen de christenen.

Op 17 november 1891, een dinsdagavond, brengt een ijlbode het nieuws dat een bende Tsai-li-ti, als waanzinnig door het reeds geroken mensenbloed (zijn onderpastoor, priester Lin, was de avond tevoren met verscheidene christenen gedood), naar Pa-kow optrekt om de christenen uit te moorden en alles plat te branden. In de nacht verzamelt pater Van Dyck de christenen in de kerk, draagt het H. Misoffer op en vlucht dan in de bergen met de zusters en de wezen van de Kindsheid. Daar dringt men er bij hem op aan om hulp te vragen bij de gouverneur van Jehol. Hij springt op zijn paard voor een rit van 100km, maar de gouverneur wil hem niet ontvangen. Op de terugtocht ontmoet hij een groep vluchtelingen en zo verneemt hij dat in Pa-kow alles verloren is: geplunderd en uitgebrand onder de aanmoediging van de mandarijnen.

Onverwijld geeft hij zijn trouw paard weer de sporen en slaat de richting in naar de Tijgervallei om zijn dichtste gebuur, pater Denys, te verwittigen. Op 21 november tegen elf uur 's avonds komt hij er aan. Ondertussen werd er 2000 fr. beloofd aan wie het hoofd van K'o-shen-foe (pater Van Dyck) kan aanbrengen. In de Tijgervallei nestelt hij zich in de bergen met de christenen, waarvan 50 met geweren gewapend zijn. Hij stuurt pater Denys naar Peking om er de hulp in te roepen van de regering. Na enkele weken komt deze terug om er... in de armen van pater Van Dyck te sterven: de vlektyfus heeft het zoveelste slachtoffer in zijn greep meegevoerd.

De legers van Peking kunnen de orde herstellen en de verdwaalde Kindsheid op het laatste nippertje redden uit de handen der moordenaars. In dit tumult stierven er alles tezamen 60 christenen van pater Van Dyck de marteldood. Na een half jaar kon hij beginnen aan de wederopbouw. En op zijn kranige houding kregen de overlevenden het volste vertrouwen in hun geestelijke vader. Vergeet niet dat hij toen nauwelijks drie jaar in China was, en slechts 29 jaar oud.

In juni 1896 wordt hij door zijn oversten naar Scheut geroepen om er het ambt van socius (helper van de novicemeester) waar te nemen. "Onze doorluchtige bisschop heeft bij het vertrek lange tijd gesnikt en geweend, dat het hart der confraters er zeer van deed." Dit schreef pater Van Hilst, die toen bij hem in de leer was als onderpastoor. Uitleg overbodig.

Twee jaar houdt hij zich bezig met de opleiding der steeds talrijker opkomende "vrijwilligers", en in september 1898 neemt hij, nu als provinciale overste, voor de tweede maal de boot in Marseille. Van de groep der 25 meestal versgebakken missionarissen, die met hem de grote tocht waagden, zullen er verschillenden de marteldood sterven, eer twee jaar verstreken zijn. In 1900 immers maakten ze de grote opstand der Boksers mee.

Pater Van Dyck was toen op de residentie van de bisschop: O.L. Vrouw-ten-Pijnbomen. Ongeveer 20 missionarissen en enkele duizenden christenen hadden daar hun toevlucht genomen achter de aarden wallen, waar ze bijna een vol jaar afgesloten zaten van de buitenwereld.

Het was op 30 juli, om 9u 's morgens, dat een leger van ongeveer 1000 man de aanval op het dorp ondernam. Het gevecht duurde verscheidene uren en de vijand naderde de muur op angstwekkende afstand. Pas toen de hoofdman, die veel praat had, maar veilig in de achterhoede bleef, tenslotte toch geraakt werd en dodelijk gekwetst neerstuikte, sloeg de bende in de grootste wanorde op de vlucht. De christenen maken heel wat oorlogsbuit en verademen een weinig, maar ze kunnen zich nog niet ver buiten de wallen wagen. Die toestand zal duren tot eind-oktober.

Op 26 oktober krijgen ze bericht dat de vijand met tiendubbele versterking gereed staat om op de negende van de negende maan (31 oktober) het nest der vervloekte Westerse duivels uit te roeien. De redding komt geen dag te vroeg en verschiet niet... het zijn de Russen uit Siberië. Een goed uitgeruste afdeling kozakken was gekomen om de missionarissen in veiligheid te brengen. Deze verkiezen echter bij hun volk te blijven en na wat onderhandelen blijven ook de Russen.

Allerheiligen 1900: van in de vroege morgen valt de vijand aan met wel 10.000 man. Die dag valt er geen beslissing, maar op Allerzielen herneemt de strijd in alle hevigheid. Tegen de avond wordt commandant Eletz, aanvoerder der christenen, aan de dij gekwetst: de toestand is zo kritiek dat deze maatregelen treft voor het geval de vijand in het dorp zou geraken.

Gelukkig! Om drie uur 's morgens van de volgende dag komt er versterking: 230 Russen, ruim van munitie voorzien. De vijand blijft steeds maar aandringen en het ziet er niet naar uit dat nu, 3 november, de beslissing zal vallen als er plots, rond drie uur in de namiddag, een zware voltreffer ontploft midden in de rangen van de belegeraars. Het was generaal Tserpitsky die hen in de rug aanviel met nog eens verse hulptroepen: enkele slagen volstaan om paniek te zaaien en de vlakte voor het dorp te zuiveren.

De volgende dagen ruimt men nog enkele weerstandsnesten uit in de omtrek en langzamerhand wordt de toestand weer normaal. In mei 1901 zien we pater Van Dyck in Peking om er met de afgevaardigden der grote mogendheden te beraadslagen over de schadevergoedingen voor de missie: bijna al de gebouwen waren vernield door brand.

Meteen hebben de Chinezen gezien dat de missionarissen er wat voor over hebben en zo wint met het vertrouwen.

En 1908 moet pater Van Dyck voor de tweede maal naar Vlaanderen om er deel te nemen aan het Algemeen Kapittel voor de verkiezing van een nieuwe overste en waar trouwens belangrijke beslissingen moeten genomen worden voor de uitbouw der krachtig opgroeiende congregatie. Zijn moederke ziet hij nog eens en kan weer rustig rondkuieren door de dennenbossen in de Kempen. Hij blijft er niet langer dan nodig is en op 7 september 1908 vertrekt hij reeds voor de derde maal langs Siberië naar zijn missie. Vijf jaar lang is hij nu pastoor in Pa-kow om dan terug provinciaal te worden. Het was een rustige tijd.

Toen hij reeds de vijftig voorbij was, zou zijn leven een gans onverwachte wending nemen. Enkele dagen nadat in Europa de eerste wereldoorlog was uitgebroken, op 10 augustus 1915, benoemde paus Benedictus XV hem tot apostolisch vicaris van Zuidwest Mongolië en enkele dagen daarna, in het consistorie van 6 december, tot titelvoerend bisschop van Abbir. Zijn eigen bisschop en goede vriend Mgr. Koenraad Abels, bijgestaan door H. Exc. Geurts, lazarist, en Mgr. Choulet, van de Vreemde Missiën van Parijs, dienden hem de bisschopswijding toe in O.L. Vrouw-ten-Pijnbomen.

Zuidwest Mongolië: het was de grote erfenis van de bisschop-martelaar Mgr. Hamer en van de "Paulus der Ortosmissie", Mgr. Bermijn. Een oude boom, die zijn wortels reeds stevig in Oost-Mongoolse grond had gevestigd, verplantte men nu in andere aarde. De eerste jaren dat Mgr. Van Dyck in zijn nieuwe residentie verbleef voelde hij er zich als een vreemdeling: de missionarissen, de christenen, de streek, zelfs de methode van missioneren was er heel anders. Door gebed en taai doorwerken heeft hij zich zo goed aangepast dat hij tegen het einde van zijn leven algemeen geacht werd als een "Vader": dit alleen veronderstelt een uiterste krachtinspanning én van de bisschop, én van de missionarissen. Een prachtige bladzijde geschiedenis is er geschreven geweest door dat keurkorps onder de leiding van Mgr. Van Dyck in de moeilijkste omstandigheden.

In 1922 werd het uitgestrekte vicariaat van Zuid-West-Mongolië verdeeld en Mgr. Van Dyck behield Sui-Yuan. In 1926 verhuist hij uit Bul-she-seu-t'ingti en vestigt hij zijn residentie in de hoofdstad van de provincie: Sui-Yuan (de Blauwe stad), dit om verscheidene redenen. Vanuit dit centrum kan het christendom gemakkelijker uitstralen over heel de streek en men kan er gemakkelijker relaties onderhouden met de burgerlijke overheid. Achtereenvolgens ziet men in die grote heidense stad oprijzen: bisschoppelijk "paleis", kathedraal, hospitaal met Europese en Chinese dokters en een verpleegsterschool. Later komt er nog het centraal seminarie van Noord-China voor filosofie.

Maar wat al moeilijkheden! Toen hij pas bij de Ortos was aangekomen brak er in de T'oumet-vlakte de longenpest uit: drie paters offerden hun leven bij het berechten der pestlijders.

Gedurende meer dan 10 jaar werd de streek onveilig gemaakt door grote en goed georganiseerde roversbenden, waarvan enkele leiders communistisch getint waren. In christelijke offervaardigheid vonden weer drie paters de dood bij de verdediging van hun volk. De toestand werd zo erg dat Mgr. Van Dyck zijn missionarissen verzamelen moest in de best versterkte christenheden. De burgerwacht werd ingericht.

De vlektyfus eiste elk jaar zijn slachtoffer en dit gewoonlijk onder de pas aangekomenen: hierin kwam verbetering in de jaren '30 toen men eindelijk de gepaste entstof had gevonden. Wie met Mgr. Van Dyck samenleefde weet wat een pijn het hem deed telkens hij een moederke in Vlaanderen moest schrijven: "Uw jongen, die gij twee jaar geleden zo opgeruimd zaagt vertrekken, is niet meer..."

Om de maat te doen overlopen kwam er telkens weer een grote droogte over de streek met als onvermijdelijk gevolg: hongersnood. De ergste tonelen hiervan bleven hem echter gespaard door een gelukkig toeval. In 1927 begon men zich te Loenhout voor te bereiden om moederke Van Dyck te vieren bij haar honderdste verjaardag: haar zoon-bisschop moest daar zeker bijzijn. Mgr. Van Dyck liet zich ompraten door zijn familie en in de lente van 1928 scheepte hij zich in te Shanghai. Enkele uren voor de boot vertrok ontving het noodlottige telegram: "Moeder overleden." Had hij terug gekund, hij had dadelijk rechtsomkeer gemaakt naar Sui-yuan, waar de eerste voortekenen van de hongersnood zich aanmeldden.

De ontvangst in zijn geboortedorp was een triomftocht... Slechts enkelen, die in zijn nabijheid leefden, konden iets vermoeden van de kruisweg die hij hier tevens doormaakte. In zijn werkkamer zat hij te wenen met een brief van één zijner missionarissen of van de burgerlijke overheid van Sui-yuan in zijn handen: iedere brief was een noodkreet om hulp.

Onvermoeibaar ging hij op tocht om de families van zijn missionarissen te bezoeken en om geld in te zamelen. Zijn missionarissen waren enigszins blij dat hij de ellende niet met eigen ogen kon zien: dat ware teveel geweest voor zijn gevoelig hart.

Toen hij op 26 mei 1929 weer inscheepte, was de nood voor het grootste deel gelenigd door edelmoedige bijdragen van heel de wereld. Vanaf 1930 kan hij ongestoord doorwerken aan de uitbreiding van het geloof.

In 1935 viert hij zijn gouden priesterfeest: missionarissen en christenen, ook de hoogste burgerlijke overheden, ja, heel Sui-yuan, komen samen om hun bisschop te vieren met pontificale hoogmis, luisterrijke optocht en feestmaal.

Daarin komt stilaan het einde: in het voorjaar van 1937 gaat hij voor de laatste maal op vormingsreis, die hij echter moet onderbreken omdat zijn hart niet meer bestand is tegen de schokken van de kar zonder veren. Teruggekeerd in Sui-yuan biedt hij in Rome zijn ontslag aan als apostolisch vicaris en neemt zijn intrek in het hospitaal. Op 28 februari dient men hem de laatste H. Sacramenten toe, waarna hij heel eenvoudig aan de aanwezige missionarissen vergiffenis vraagt voor zijn tekortkomingen. De toestand gaat dan gedurende enkele maanden op en neer. De rozenkrans is zijn enige bezigheid in de slapeloze uren en tussendoor schertst hij nog met de tachtigjarige Mgr. Otto, die daar ook zijn laatste dagen sleet, wie van de twee er het eerst bij O.L. Heer zou zijn.

Daags na het feest van de grote missionaris, de H. Frans Xavier, in de morgenuren van 4 december treedt zijn ziel de eeuwigheid binnen. Voor hem wordt nu pas zijn bisschopsleuze verwezenlijkt: "PAX VOBIS", "Vrede zij u".

Uit: Loenhouts missionarissen (ca. 1955)

Brief van Z. Exc. Mgr. L. Van Dijck (19/6/1935)

Brief van Z. Exc. Mgr. L. Van Dijck, waarin hij in alle eenvoud zijn indrukken weergeeft over de hulde die Sui-yuan hem bracht ter gelegenheid van zijn gouden priesterjubileum.

Sui-yuan, 19 juni 1935

Eerw. en beste vriend,

De feestelijkheden van zijn gouden priesterjubileum zijn voorbij; God zij bedankt!

Ik wilde den heuglijken dag overbrengen in stilte en eenzaamheid, alleen met O.L. Heer, Wien ik zoveel te danken heb. Dit is niet gelukt; buiten mijnen weet werd een feest voorbereid. Niet alleen mijne priesters en christenen, ook de heidenen: de gouverneur der provincie, de civiele en militaire overheden, de notabelen, de commerçanten der stad; men mag zeggen: heel Sui-yuan vierde mee.

't Was waarlijk te veel, nooit had men zo iets gezien. Van alle kanten kwamen dien dag felicitatiebrieven, telegrammen en radiogrammen, zelfs van den president van China, die mij met zijne heilwensen eene hooge decoratie zond.

's Middags hadden wij aan tafel 4 bisschoppen, den gouverneur, 40 pristers en 25 mandarijnen en notabelen; terwijl onder eene tent op de koer opgeslagen 600 christenen en heidenen broederlijk het feestmaal namen.

Al de onkosten wierden gedekt door bijdragen van christenen en heidenen.

Alles is heerlijk verlopen; die algemeene genegeheid ging mij diep aan het hart, en ik hoop dat het feest zal hebben bijgedragen tot meerdere verspreiding van ons heilig geloof.

De bekeeringsbeweging duurt voort en verspreidt zich uit....

Overlijden

Bij zijn overlijden in 1937 publiceerde Gazet van Antwerpen volgend In Memoriam (GVA 7/12/1937):


Met speciale dank aan Maria Gorissen voor het uitzoeken van de huidige naamgeving van de in het artikel vermelde plaatsnamen en het bezorgen van de krantenknipsels.

Personen:

Plaatsnamen:

Gebeurtenissen:

  • Tsai-li-ti: Dit gaat over het Jindandao Incident (1891), en meer bepaald de religieuze secte genaamd "Zaili". Meer informatie in dit boek: Richard Shek, The Revolt of the Zaili, Jindan Sect in Rehe (Jehol), 1891, Modern China, Vol. 6, pp. 161-196, 1980.
  • Bokser-opstand: opstand van een Chinese nationalistische beweging, gericht tegen de invloed van de westerse imperialistische mogendheden (1899-1901) en hun invloed op het vlak van handel, politiek, religie en technologie. Wikipedia.

Enkele krantenknipsels betreffende het Jindandao-incident (1891) en de Boxeropstand (1900):

Meer informatie: