Naar het Hof van Luik (1558-1564)

Terug naar overzicht

Stadius vertoeft in Brussel in maart 1558, en ook nog op 12 maart van het volgend jaar 1559, dag waarop hij een conjunctie van Mercurius en Venus waarneemt; op 7 juli daaropvolgend doet hij nog andere waarnemingen, waaruit hij voor Brussel een breedte van 51° 20' bepaalt (7.1). In dit zelfde jaar bezoekt Stadius voor de eerste maal Parijs (7.2).

Van dan af begint Stadius naam te krijgen, wel zoodanig dat de Prins-Bisschop Robrecht van Berghen hem aan zijn hof verbindt (7.3).

De tegenwoordigheid van Stadius te Luik houdt misschien wel verband met het door Robrecht van Berghen gekoesterd plan tot oprichting eener Hoogeschool in deze stad. Te dien einde knoopte de Prins-Bisschop met den H. Stoel onderhandelingen aan, en ontving de daartoe vereischte bulle. Zijn kanselier Wythem gaf aan het kapittel der Kathedraal, in hare zitting van 23 Juli 1561, mededeeling eener apostolische commissie aan Zijne Hoogwaardigheid gericht tot stichting van een zeker Collegie van Godgeleerdheid en andere Faculteiten in deze stad. Deze Hoogeschool kwam echter niet tot stand, deels door de tegenwerking der kanunniken van St. Lambertus-kapittel die eenige prebenden als dotatie aan deze nieuwe instelling moesten afstaan, deels door het ziek vallen van Robrecht van Berghen (8.3).

Aan dezen Kerkvoogd, zijn beschermer, draagt Stadius zijn "Tabulae Bergenses" op, aldus genaamd als huldeblijk aan Robrecht van Berghen. De opdracht is geteekend: "Te Luik, in uw Paleis, den 29 Januari 1560."

Tijdens zijn verblijf in de bisschoppelijke stad, reist Stadius verscheidene malen naar Keulen, (8.4) wellicht om toezicht te houden over het uitgeven zijner werken, die gedrukt werden bij de erfgenamen van Arnold Brickmann.

Deze drukken zijn zeer werkwaardig van uitvoering.

Uit zijne "Tabulae" (9.1) vernemen wij dat zijne gezondheid werd aangetast en dat dank aan "de zeer geleerde en zeer nederige doctor Gilbertus van Limburg" hij genezen werd.

Wanneer de geleerde Loenhoutenaar uit Luik vertrok, staat niet vast. Stellig is hij er niet meer in 1563, want alsdan vertoeft hij wederom te Brussel, van waar hij in letterkundige briefwisseling is met Kanunnik Pighius, secretaris en bibliothecaris van Granvelle (9.2).

Intussen worden zijn belangen in Loenhout nog altijd door Jacob van Ostayen (55) van Brecht, Cornelis IJsendonck, Aernout van Ostayen en Geerdt Meersmans behartigd en verdedigd.

Voetnoten

(7.1) Le Paige, op. cit. blz. 476. Terug

(7.2) Bosmans, op. cit. coll. 526. Terug

(7.3) ... "quam lllustrissime T. C. debeo reverentia, postquam illa me tanta comitate et benevolentia complexa, superiore anno Bruxellis ut domesticum et familiarem suis adnumerare dignata est, et Hieronymi filioli nostri studiis ex T. C. benignitate prospicere." Stadius. — Tabulae Bergenses". — Opdracht. Terug

(8.3) Le Paige, op. cit., blz. 477-79. Terug

(8.4) Bosmans, op. cit., coll. 526. Terug

(9.1) Blz. 205. Terug

(9.2) Bulletin du Bibliophile Belge. — Brux. 1856. T. XII (2° Série. T. III). Blz. 375. Terug

(55) Deze Jacob van Ostaeyen, wonende in Brecht, is niet verwant aan de Loenhoutse stam, wat we oorspronkelijk wél dachten. In de menigvuldige akten waar hij in vernoemd wordt, wordt zijn vadersnaam nooit vermeld. In geen enkele akte wordt er vermelding gegeven, dat hij familie zou kunnen zijn van de Loenhoutse tak. Op 24 mei 1542 wordt hij voor het eerst samen met zijn vrouw Lysbetten Wouter Wouterssen de Wilde dochter vermeld, (Manuaal Michiel Joerdaens 1549 - 50 f° 26 - 27 r°). In een akte komt zijn ouderdom voor: "8 februari 1569 Jacob van Ostaeyen out 57 jaren". Dus moet hij omstreeks 1512 geboren zijn, (GAB Akten Judiciaal 1569 f° 90 v°). Op 9 februari 1562 bekomt hij een getuigschrift waarin gezegd wordt dat hij in Loenhout de vierschaar gedurende 25 jaar "gefrequenteert" heeft, (GAL. 1559-1567 f° 115 r° bundel 143). Door enkele schepenbrieven komen wij zijn herkomst te weten. Omtrent 1571 wordt Jacob enkele malen vernoemd in de Brechtse schepenprotocollen, aangaande een erfenis die hij doet, samen met zijn nicht Joanna Michiel Raepsdochtere, het enig overgebleven kind van zijn zuster, Geertruyt. De erflater is zijn broeder Meester Jacop van Ostaeyen van Zundert, presbyter (monnik). Deze was doctor in de medecijnen en hoogleraar aan de universiteit van 's Hertogenbos. Hij was gehuwd geweest, doch kinderloos gebleven en is na de dood van zijn echtgenote in het klooster gegaan, (GAB. 1565-1573 blz. 450-451, 1567-1574 blz. 65 v°-66 r°, 123 v°-124 r°). Eenmaal wordt hij beschreven als Jacop van Ostaeyen alias "Oekel" (Manuaal Michiel Jordani 1547-1548). Op 10 augustus 1579 vinden wij hem nogmaals vermeld met een tweede vrouw, nl. met Maria van Huysen. (GAB. = Gemeentearchief Brecht in het Rijksarchief te Antwerpen.) Terug