Het Slot van Loenhout

1835-1841 Dr. Hendrik Van Beeck-Vollenhoven

Terug naar overzicht

Rond 1835 moet de eigendom van het kasteel overgegaan zijn van vader Jacobus naar zoon Hendrik Van Beeck-Vollenhoven. Over Hendrik Van Beeck-Vollenhoven lezen we in het Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek (1911-1937):

VOLLENHOVEN (Dr. Hendrik van Beeck), geb. te Amsterdam 7 Mrt. 1811, overl. aldaar 1 Aug. 1871, was de zoon van Jacob van Beeck Vollenhoven, bierbrouwer en Louise Hartsen. Hij studeerde sedert 1828 te Amsterdam aan het athenaeum, maar ging toen te Leiden studeeren, waar hij 3 Nov. 1830 werd ingeschreven, en in 1835 in de medicijnen promoveerde op een dissertatie getiteld: De lichene carachenico sive sphaerococco crispo.

Hij was te Amsterdam eenige jaren als geneesheer werkzaam en kreeg een groote praktijk, toen hij omstreeks 1840 met het oog op zijn gezondheid naar een andere betrekking ging omzien. Hij werd toen lid der firma van Heukelom en van Vollenhoven, graanhandelaren, en bleek een even bekwaam koopman als hij geneesheer geweest was.

Hij werd 19 Jan. 1847 door de Provinciale staten van Noord-Holland tot lid der Tweede Kamer gekozen.

Na de herziening der grondwet, toen bepaald was, dat met het meer uitgebreide stemrecht twee candidaten voor de Eerste Kamer in elk Tweede-Kamer-district gekozen zouden worden, waaruit de Koning eenigen zou aanwijzen om lid der Eerste Kamer te worden, werd Vollenhoven wel niet in een der amsterdamsche districten maar in het district Zaandam tot candidaat gekozen. Uit hen benoemde de Koning hem 11 Jan. 1849 als zoodanig voor Noord-Holland en hij is dit tot zijn overlijden gebleven, ook toen sedert Sept. 1850 de keuze aan de Provinciale staten was.

Hij was in dit lichaam in zijn beide qualiteiten zeer op zijn plaats, hij heeft aan de geneeskundige wetten, die onder het tweede kabinet-Thorbecke tot stand kwamen, niets kunnen verbeteren, daar de Eerste Kamer het recht van amendement mist.

Op 13 Nov. 1855 werd hij benoemd tot lid eener commissie van onderzoek naar het beheer van de maatschappij van weldadigheid, wier financiƫn in zeer slechten toestand waren, en van welke maatschappij het Tweede-Kamerlid Mackay (dl. V, kol. 333) op haar voorstel 14 Dec. 1856 tot administrateur benoemd werd. Nadat de toestand, mede door steun der regeering, verbeterd was, werd deze commissie op 5 Sept. 1859 met ingang van 15 d.a.v. ontbonden.

Op 6 Nov. 1857 werd Vollenhoven benoemd tot voorzitter van het ingevolge de wet van 14 Juni te voren ingestelde college voor de zeevisscherijen. Hij bleef dit tot zijn overlijden.

Op 18 Mrt. 1857 werd hij benoemd tot curator van het amsterdamsche athenaeum en nam als zoodanig 27 Apr. 1864 ontslag, maar nadat hij uit zijn firma getreden was, werd hij door den amsterdamschen raad 11 Juli 1867 opnieuw als zoodanig benoemd. Ook dit bleef hij tot zijn dood.

Hij behoorde gedurende zijn geheele parlementaire loopbaan tot de liberale partij. Hij werd voor de zitting 1870-1871 tot voorzitter der Eerste Kamer benoemd. Dit ambt mocht hij slechts dat zittingjaar bekleeden.

Hij huwde 14 Mei 1841 Maria Stadnitzky, geb. 26 Mrt. 1817, overl. 11 Febr. 1851, bij wie hij 2 zonen en een dochter had.

In deze periode woonden Louis Joseph Lambert (geboren 10 november 1792) en zijn vrouw Joanna De Laet vele jaren op het kasteel in Loenhout. Lambert was rentmeester van Jacobus Van Beeck-Vollenhoven en later van zijn zoon Hendrik. In 1825 werd hij reeds vernoemd als de bewoner van het kasteel, en in 1841 woonde hij er nog. Hij was toen de grootste belastingbetaler die op een lijst met de 10 grootste belastingbetalers van Loenhout vermeld werd. Op de lijst van 1842 komt zijn naam niet meer voor. Toen was het kasteel verkocht aan Franciscus Henricus Elsen. Rentmeester Lambert schonk aan Loenhout een zilveren kelk toegewijd aan St. Quirinus.