Het Slot van Loenhout

1575-1611 Karel de Ligne

Terug naar overzicht

Karel de Ligne
Karel de Ligne

Hij was graaf van Arenberg, vrijheer van Zevenbergen en erfde op 5 augustus 1575 de beide heerlijkheden van zijn vader. In het leenboek staat: "bij dode ende mits scheyden vanden bedde van wijlen heeren Jans van Ligne". Zijn moeder Margaretha was gehuwd onder de voorwaarde dat ze Arenberg (één van namen van haar echtgenoot) zou toevoegen aan de naam van haar kinderen. Graaf Karel de Ligne was dan ook de stamvader van de prinsen van Arenberg. Karel de Ligne was zoals zijn vader ook heer van Vorselaar. Als schild had hij drie gouden mispelbloemen op een geel veld. Hij huwde met Anna de Croy, oudste zuster en erfgename van Karel van Croy, hertog van Aerschot, prins van Chimay. Hij werd in 1597 door Philips II tot gouverneur van de Nederlanden benoemd. Hij stierf op het kasteel te Edingen op 18 juni 1616. Zijn vrouw overleed op 20 februari 1635. Beiden werden in het Kapucienenklooster te Edingen begraven.

Karel de Ligne was Heer van Loenhout toen rond 1578 de ellendige tijd aanbrak en Loenhout het slagveld vormde tussen de Spanjaarden en Fransen in het zuiden en de Calvinisten in het noorden. Het dorp was in 1589 geheel verlaten. Vanaf 1593 herstelde het zich langzaam. Er waren toen reeds 106 woningen terug bewoond en een derde van de grond werd weer bewerkt.

Karel de Ligne verkocht heel wat renten om de kop boven water te houden. In 1602 verkocht hij er één van 500 gulden aan Gerard de Hornes. Te Wuustwezel was Willem de Hornes eigenaar van het kasteel. Enkele jaren later zal ook deze familie het kasteel van Wuustwezel moeten verkopen. Het werd 'slechte-tijd' voor heren. Samen met zijn moeder Margaretha Van der Marck zette Karel de Ligne de hypothecaire leningen voort tot in 1609 totdat hij de rente van 28.933 gulden niet meer kon betalen. Adriaan de Noyelles, een schuldeiser, liet in 1611 zelfs beslag leggen op de heerlijkheid Popendonk. Robbrecht heeft de heerlijkheden willen verkopen aan Wijnand van den Wijngaerde, domproost van Luik voor de som van 53.000 gulden. Zijn broer Robbrecht de Ligne die dezelfde voornaam had als zijn grootvader Robbrecht Van der Marck, betwistte echter het recht van zijn broer Karel en wilde de heerlijkheden verkopen voor 63.000 gulden.*

De overeenkomst met Wijnand van den Wijngaerde ging niet door, zodat Robbrecht uiteindelijk op 16 december 1610 de goederen verkocht aan Louis Perez de Baron, die als gevolmachtigde Jan Maas had aangeduid. De koop was pas definitief in 1611 omdat aan Wijnand van den Wijngaerde de kans geboden werd om ook 63.000 gulden te bieden. De kastelein, rentmeester en schout van Loenhout, Corneel Van Dongen, wonend op de Vrijheid te Hoogstraten, en Roeland van Holland kregen de opdracht om de heerlijkheden Loenhout en Popendonk over te dragen aan de heer Maes als gevolmachtigde koper voor Louis Perez de Baron. Door Robbrecht de Ligne werd een akte opgesteld waarin hij zijn rechten, die hij had jegens Wijnand van den Wijngaerde‚ afstond aan de koper.

Tot de goederen van de heerlijkheid Loenhout behoorde vooreerst een omwaterd kasteel met hof van plaisantie en omliggende hoeven; bovendien nog verscheidene hoeven, een windmolen (versleten of beschadigd?), gronden en moeren, die gedeeltelijk op het grondgebied van Wuustwezel lagen. Al in 1612 werd een bestek opgemaakt om een nieuwe molen te bouwen. Verdere inkomsten had de heer door een klein aandeel in de tienden, talrijke cijnzen in geld en natura en de leenrechten van de vele ondergeschikte lenen. Een aantal hiervan waren volle lenen, die op zichzelf een leenhof met eigen stadhouder en leenmannen vormden zoals dit van Wijnand van den Wijngaerde, en waarvan soms ook weer achterlenen afhingen.

De heren van Loenhout hebben steeds getracht deze volle lenen opnieuw in hun bezit te krijgen. Zo kocht de heer in 1630 het volle leen, dat in de 16de eeuw aan Ewaut van Emeren, schout te Brecht, toebehoorde. In 1665 kocht de vrouwe van Loenhout de drie volle lenen van Wijnand van den Wijngaerde de Glimes, wiens vierde volle leen in het bezit kwam van secretaris Peter Van Elsacker. Waarschijnlijk had Wijnand van den Wijngaerde de Glimes, als verre familie van de heren van Loenhout, een gedeelte van de heerlijkheid geërfd.

Hoe de familie Van den Wijngaerde in Loenhout terecht kwam weten we niet maar op "Sinter Nicleausdach" 1439, werd Jan van den Wijngaerde, die waarschijnlijk schout of meier was, begraven in de kerk. Toen in 1485 het oudste uurwerk van de kerktoren besteld werd was Willems vanden Wyngaerde schepen van Loenhout. Jan van den Wijngaerde woonde op het 'leenhof van Wijngaerde'. Hij leende dus van de heer van Loenhout. Het leenboek van de familie ging tot 1635 en in 1639 werd het vernieuwd op naam van de domheer van Luik, Wiijnand van de Wijngaerde. Hij was eigenaar van een "leenhoff ende laethoff met noch twee schoone hoeven" rond 1665, vermits hij ze dan verkocht.

Bronnen
1. Proces tussen de erfgenamen van de Proost Winand van de Wyngaerde tegen Daniel Buyck, Schout en ontvanger van Loenhout en de testamentuitvoerders, omdat de Proost meerdere lenen gelegen te Wuustwezel, Loenhout en Brecht aan derden overlaat, daar waar over deze bij testament was bepaald dat zij steeds eigendom dienden te blijven van de naam- en wapendragers van de Wyngaerde. Bron: Inventaris van de archieven van het Feodaal Hof van Brabant, vol. 2, p. 91.
2. Akte van naasting (retrait lignager) ingediend op 3 april 1610 door Robert de Ligne, Prins Graaf van Arenberg voor de heerlijkheden Loenhout en Poppendonck. Bron: Inventaris van de archieven van het Feodaal Hof van Brabant, vol. 1, p. 330.