Het Slot van Loenhout

1446-1465 Daniël III van Boechout, ridder, en Jan van Boechout

Terug naar overzicht

De twee broers, werden heer van Loenhout op 27 mei 1446. Daniël was burggraaf van Brussel. Hij huwde met Margaretha van Poucke, dochter van Alain van Poucke en van Kathelijne Borselen-Vere. Deze familie woonde in het mooie kasteel van Poucke, ook Poeke geschreven.

De neef Jan van Boechout was ofwel nog minderjarig ofwel heeft Daniël III hem uitgekocht. Van hem is er verder geen sprake meer tenzij in een tekst in het "Leenboek van de heere graeve van Hoochstraeten int quartier van Eeckcren":

"Daniël van Boechout, 27 mei 1446, tot behoef sijns selfs ende Jans Van Boechout sijn broeders op dode van Jouffr. Johanna van Boechout sijne nichte bekomt een hoeve met hun huisinghe hove, lande, groesen, heyden, beemden, moeren, gronde met allen hueren toebehoren geheten de hoeve van Poppendonck geleghen te Loonhout"

Daniël III liet in 1453 een nieuw leenboek maken en verkocht Popendonk aan Lodewijk van Leefdaal, die deze heerlijkheid in 1495 nog bezat. Later komt Popendonk terug bij Loenhout. Wanneer en wie het "goed" terug aangekocht heeft, is nog niet achterhaald. De van Boechouten waren zeer rijk en zij waren er steeds bij wanneer er gevochten moest worden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Daniël III sneuvelde op 16 juli 1465 in de Slag van Mont Lhéry in de omgeving van Parijs. Hij werd begraven bij zijn neef Jan van Boechout te Grimbergen. In zijn testament, opgesteld in 1460 en aangevuld in 1462, voorziet hij dat zijn echtgenote Margaretha van Poucke en zijn erfgename Margaretha van Boechout brood en wijn moesten uitdelen, op de dag dat in de parochiekerk van Loenhout elk jaar een mis gedaan werd. Verder voorzag hij dat er elke zaterdag een lof gezongen zou worden aan het altaar van "O.-L.-Vrouw te Loenhout". Hiervoor betaalde hij 2 Rijnsgulden, een aanzienlijk bedrag in die tijd. In Humbeek waren er zelfs nog meer diensten voorzien. In Loenhout en Humbeek hadden de armen elke week recht op een brood, of de tegenwaarde ervan:

"een ewelike ende erflike deel van broode gegeven ende gedistribueert te worden en den armen menschen aldaer, alle weken tot ewigeg dagen"